Decubitus (doorligwonden) blijft een belangrijk aandachtspunt in de zorg. Eén van de meest toegepaste interventies om decubitus te voorkomen is wisselligging, waarbij de 30°-zijligging al jaren de standaard is. Toch zien zorgprofessionals in de praktijk dat deze houding bij bewoners met een hoge BMI niet altijd voldoende effectief is. Steeds vaker wordt daarom gesproken over een 40°-zijligging. Hoe zit dit precies, en wat zeggen de richtlijnen?
De internationale richtlijnen van de EPUAP (in samenwerking met NPIAP en PPPIA) adviseren de 30° zijligging als voorkeurspositie ter preventie van decubitus. Deze houding is ontwikkeld om de druk op risicoplekken zoals het sacrum en de trochanter major te verminderen.
- Vermindert directe druk op botuitsteeksels.
- Voorkomt volledige zijligging (90°), waarbij de druk juist toeneemt.
- Is relatief comfortabel en goed te ondersteunen met kussens.
Voor mensen met een normaal tot licht verhoogd BMI werkt deze houding in veel gevallen goed. Maar bij cliënten met obesitas ontstaan andere uitdagingen.
Bij mensen met een hoge BMI verandert de biomechanica van het lichaam aanzienlijk. Dit heeft directe gevolgen voor de effectiviteit van positionering.
Door de grotere hoeveelheid vet- en spierweefsel blijft bij 30°-zijligging vaak alsnog veel druk rusten op de heupregio. In plaats van drukverplaatsing ontstaat juist drukconcentratie ter hoogte van de trochanter.
Een hoger lichaamsgewicht zorgt ervoor dat de cliënt dieper in het matras zakt. Hierdoor gaat het beoogde effect van de 30°-hoek deels verloren en ligt de cliënt functioneel dichter bij volledige zijligging dan bedoeld.
Praktische check voor zorgverleners
- Voel je duidelijk het heupbot (trochanter) tegen het matras?
→ Dan ligt de cliënt functioneel te veel op de zij - Kun je je hand nog deels onder de flank/rug schuiven?
→ Dan is de drukverdeling beter. - Rolt de cliënt snel terug?
→ De hoek is waarschijnlijk te klein.
Cliënten met een hoge BMI rollen bij 30° sneller terug in rugligging. Hierdoor neemt de druk op het sacrum opnieuw toe, vaak zonder dat dit direct wordt opgemerkt.
Om deze redenen wordt in de praktijk bij mensen met een hoge BMI vaak gekozen voor een 40°-zijligging. Hoewel deze hoek niet letterlijk als norm in de richtlijn staat, sluit zij wél aan bij het kernprincipe van de EPUAP: effectieve drukverlaging staat centraal, niet het exacte aantal graden.
- Betere verplaatsing van druk weg van de trochanter
- Groter contactoppervlak, dus lagere piekdruk
- Meer stabiliteit in de houding
- Minder kans op terugrollen naar rugligging
Belangrijk is dat de cliënt hierbij niet volledig op de zij komt te liggen, maar goed ondersteund wordt met positioneringskussens.
De belangrijkste boodschap uit de richtlijn is dat positionering altijd individueel moet worden afgestemd. De 30°-zijligging is geen “heilige norm”, maar een uitgangspunt.
Factoren die altijd meegewogen moeten worden zijn:
- BMI en lichaamsbouw.
- Mobiliteit van de cliënt.
- Type matras (bijvoorbeeld drukverlagend of dynamisch).
- Comfort en pijnbeleving.
- Huidconditie en aanwezige risicozones.
Bij onvoldoende drukverlichting is het aanpassen van de hoek, bijvoorbeeld naar 40° , een logische en onderbouwde keuze.
Door kritisch te kijken naar het effect van positionering in plaats van alleen naar het getal, kan decubituspreventie aanzienlijk worden verbeterd.
Vragen over deze blog? Wij denken graag met je mee.